Uncategorized

Deel 1. Een leeg nest.

Shit. Vanuit mijn slaapkamer hoor ik mijn telefoon afgaan terwijl ik met een handdoek op mijn hoofd nog nadruip van een lange, warme douche. Dat zal pa wel zijn. Een lieverd hoor, maar hij heeft de gave om altijd op het verkeerde moment te bellen. Met lichte tegenzin loop ik mijn slaapkamer in en pak mijn telefoon om hem terug te bellen.

Terwijl ik zijn naam zoek in mijn contacten, hoop ik vurig dat hij niet belt waarom ik denk dat hij belt. Ik weet dat hij zich afvraagt wat ik van plan ben volgend jaar. Maar ik weet ook dat hij bang is dat ik vertrek. Bang dat ik mijn heil ergens anders zal zoeken.

‘Kindje, liefje, wanneer ga je me vertellen wat je plannen zijn voor volgend jaar. De buurt heeft ogen en oren hè, dat weet je toch?’, roept hij door de telefoon. ‘Als vader wil ik je dolgraag zien doen waar je gelukkig van wordt, maar mag ik verwachten dat je me even op de hoogste stelt?’
Intussen hoor ik hoe hij zijn pijp aansteekt en zie hem in gedachte zitten. Genesteld in zijn fauteuil voor het raam, in een klein kamertje vol met planten, meubels en prullaria. De rook vult de kamer, wat direct laat zien hoe vol en stoffig de ruimte is. De herinneringen houden hem vast in die kamer. Vast in die kleine arbeiderswoning in Ondiep, waar hij bij de harde kern van de buurt hoort. De bewoner van het eerste uur zoals hij het noemt.
‘Oké pa, kop koffie doen dan maar? En ik hang op. Ik smijt mijn telefoon op bed en haast me naar de badkamer om me aan te kleden.

Mijn vader en ik zijn altijd al twee handen op een buik geweest. Van kleins af aan. Vanaf het moment dat mama wegging werd dat enkel sterker. We hebben het dan ook nooit slecht gehad. We kunnen urenlang kletsen en discussiëren, maar ook een boek lezen in stilte op het balkon. Marc is een hele fijne vader. Maar wel eentje met een gebruiksaanwijzing.

Net wanneer ik op een stoel op het terras plof, hoor ik hem in de verte aankomen. Zingend en op een fiets zo krakkemikkig dat niemand ‘m zou stelen. Intussen lijkt een voorbijganger hem te kennen en klopt hem gemoedelijk op zijn schouder. Wie mijn pa net leert kennen, zal op zijn zachts gezegd overweldigd zijn van zijn voorkomen. Na een korte conversatie waar ik vooral mijn vader druk met handgebaren aan het woord zie, lopen ze allebei door.
Hij heeft zijn haar in een staart op aanraden van mij. Met zijn geklede schoenen van slangenleer en baggy jeans die omhoog gehouden wordt door felrode bretels, zou je denken dat hij zo uit een musical weggelopen is. Gekscherend klopt hij hard op het grote raam bij de bakker op de hoek om vervolgens met een grote grijns te zwaaien naar de medewerkers die binnen staan. Dat is pa ten voeten uit. Luidruchtig, maar grappig en een ontzettende lieverd maar ook eentje om hondsdol van te worden. Zou ‘ie zich rot schrikken, boos worden of juist heel rustig blijven als ik hem mijn plannen vertel? Maakt hij zich ongerust of zou hij het ergens wel begrijpen? Ik krijg een knoop in mijn maag als ik eraan denk.

‘Mevrouw, of u alvast iets wilt bestellen’?, hoor ik ineens en de serveerster kijkt me vragend aan.
‘Ah, nee, hoor, ik wacht nog even op iemand. Dankje’.
Ik zie haar lichtelijk geïrriteerd haar schrijfblokje terugstoppen in het voorvakje van haar schort.
Wanneer mijn vader eenmaal voor me staat, pakt hij me stevig vast. ‘Je ziet er weer prachtig uit, net als je oude vader. Al neuriënd ploft hij in een stoel naast me neer.
Zijn verschijning kan me altijd weer verrassen. Zijn overdreven en over-the-top gedrag. Als 16-jarig meisje, onzeker en net in de puberteit kun je trouwens wel door de grond zakken als je vader je vrienden aan het lachen krijgt door zich als een idioot te gedragen. En wanneer je vader schijnbaar gevraagd is als dj op je eerste schoolfeest in de brugklas, sta je ook niet te springen. Maar al met al is hij er eentje die je bij je wilt hebben. Zonder mijn pa geen feestje, of je je nu schaamt of niet.

‘Ik ben wat laat, maar moest nog even langs de apotheek. Zat je al lang? Sorry schat.’
‘Oh, nee hoor geen probleem. Eventjes pas’, antwoord ik zachtjes.
”Nou, wat drinken we? Misschien een lekker wijntje, daar heb ik wel trek in’ en ik zie hem zoeken naar de serveerster. 

Nou, vertel maar eens waar je na de zomer heen wilt’ en hij kijkt me vragen aan.
‘Misschien ga ik wel met je mee’ roept hij lachend en pakt de menukaart. Terwijl ik op zoek ga naar de serveerster heeft de knoop in mijn maag zich inmiddels tot een grote brok met angst gevormd.
‘Ik neem de Chardonnay hoor, jij ook?’ Ik besluit mee te doen en wenk de serveerster.

‘Hoe was je dag’, vraag ik hem om het moment maar uit te stellen. Zo’n vraag geeft me meestal nog wel een minuut of 5.
‘Druk, schat, druk. Ik heb een overvolle agenda; de buren zijn op vakantie en ik zorg voor de kat en bovendien is je tante ziek. Die breng ik vanavond een kopje soep. En ik wil nog even langs de soos zometeen.
‘Je bent weer veel te druk pa’, reageer ik.
Intussen praat hij vrolijk verder, over zijn werk, de soos en de tango lessen die hij volgt. Zijn vrolijkheid doet me pijn. Wanneer de drankjes geserveerd worden, weet ik dat ik nu echt moet gaat praten.
‘Papa?’, begin ik. ‘Wat ik je…’
‘Ik ga morgen naar een tentoonstelling in het Utrechts Archief, echt iets voor jou’, onderbreekt hij me. ‘Ik kan je ophalen om half 12′, zegt hij terwijl hij een slok van zijn wijn neemt.
‘Pa, ik wil je iets zeggen’ begin ik en ik hoor hoe mijn stem begint te trillen. ‘Beloof je dat je me laat uitpraten? Ik heb er echt goed over nagedacht en weet dat je hier niet blij mee zult zijn’.
‘Nou, wat een serieuze toon ineens, maatgoed vertel dan maar.’ Hij kijkt me aan met zijn vaderlijke blik.
Ik blijf even stil en voel tranen opkomen. ‘Pa, ik ga weg’ weet ik eruit te persen.

‘Ik heb mama gesproken. Ze belde ineens, een paar maande terug al. We hebben lang gepraat en we praten vaker.’
Ik kijk hem aan, zijn ogen groot en verschrikt. Zijn hand zoekt zijn pijp die op tafel ligt. Ik zie een lichte trilling in zijn hand als hij zijn pijp aansteekt. Hij inhaleert diept en ademt weer uit. Het is stil. Ik kijk naar zijn ademhaling die snel is, gejaagd bijna. De stilte begint met de seconde pijnlijker te worden.
Mijn vader is er altijd voor me geweest. Niet dat ik hem vaak nodig had. Ik werk me amper in de nesten, haal geen nachtelijke escapades uit en mijn leven verloopt redelijk op rolletjes. Maar nu spring ik uit de band. Ik voel een onrust in mijn buik, een niet te negeren opwinding die niet meer kan wachten.

Uncategorized

Doe dat maar niet…

Heel lang heb ik dit verhaal aan niemand verteld, maar inmiddels kan ik erom lachen. Wel met het schaamrood op de kaken. Dat wel. Maar oh, wat heb ik mij geschaamd. Zo ontzettend geschaamd. Ik zal nooit vergeten hoe ik daar stond middenin een grote mensenmassa, met een kop als een boei. Als je door de grond kan zakken, zou ik er op dat moment al mijn geld voor gegeven hebben.

Jaren terug werkte vriendlief bij een evenementenbureau dat grote festivals organiseerde. Denk festivals zoals Free Festival en Parkpop. Soms ook weleens een groot concert. Grote stadions zoals de Kuip in Rotterdam. In dit geval het decor van mijn verhaal. Mijn schandalig pijnlijke verhaal uit 2008, het jaar dat Doe Maar (weer) een afscheidsconcert gaf en ik met mijn naïeve studentenkoppie een van mijn meest schaamtevolle acties uithaalde.

Tijdens mijn studie deed ik van alles wat. De ene keer werkte ik voor een uitzendbureau bij een kantoor dat met recht het allersaaiste kantoor van Nederland genoemd mag worden. Een week later stond in de Amsterdam Arena frietjes op te scheppen voor angstaanjagende Ajax supporters. Zo was er ook een dag dat ik meekon met vriendlief naar een concertreeks in de Kuip waar de crew-catering een handje nodig had. Ik had dit al vaker gedaan en kon wel een zakcentje gebruiken. Mijn bankrekening schreeuwde namelijk om opvulling. Vol goede moed richting Rotterdam dus.

De dag begint zoals andere dagen bij de crew-catering. Bijvullen, schoonmaken en wat helpen in de keuken. Tijdens zo’n dag als deze wacht je met name op de drukke momenten waarop de crew komt eten. Mijn taak is dan het controleren van de bonnetjes. Om te eten hebben medewerkers een bonnetje nodig, waarmee ze vervolgens hun buikje rond kunnen eten. Dus, vlijtig als ik ben, vraag ik iedereen netjes om een bonnetje voordat ze hun bord volschepen met al wat ze wensen. Tijdens die drukke moment ga je op adrenaline; met het zweet op je voorhoofd en vooral voeten na zo’n 12 uur rondlopen en -rennen. Net na die drukte staat er ineens een familie voor mijn neus. Een man, ik zou het rond de 55 schatten, met kort zwart haar en een wat jongere vrouw. Er was nog een meisje bij, als ik het me goed herinner. Zoals ik al 100 keer gedaan had die avond, vraag ik om een bonnetje.

Een verbaasde blik. ‘Waarom een bonnetje’, vraagt de man.
‘Nou, dat is zoals we dat doen’, leg ik uit. Deze vraag kreeg ik nooit.
‘We houden bij wie er komt eten, door middel van die bonnetjes dus’.
Een ongemakkelijke stilte volgt. De man, de vrouw en het kind kijken elkaar aan. Om vervolgens mij weer aan te kijken.
Dit is moeilijk, want wat doe je? Doe je wat je gezegd is en vraag je altijd omdat stomme bonnetje. Of laat je deze gaan.
Ik beslis voor het eerste te gaan. Geen idee waarom. Uit angst om het verkeerd te doen waarschijnlijk.
‘Ik moet echt een bonnetje hebben, voordat jullie opscheppen’, geef ik aan.
‘Ik denk niet dat dat nodig hoor meissie’, zegt de man met een ferme stem.
‘Sorry’, bazel ik.
‘Nogmaals, ik denk dat we die niet nodig hebben. Kan ik opscheppen?’, zegt hij nu wat harder.
Ik twijfel. Wat bedoelt hij eigenlijk? Niet nodig? Is het arrogantie?
‘Mag ik opscheppen?’.
Nou… zeg ik twijfelend. ‘Nee, ik moet echt een bonnetje hebben, net als alle andere medewerkers’, is mijn antwoord.
Hij wordt rood. Boos. Dat zie ik gelijk. Zij gezicht verandert.
Van uiterst vriendelijk naar verbaasd en afkeurend. Hij lacht nog even twijfelend naar zijn vrouw en stapt vervolgens geïrriteerd richting de uitgang.
Een paar ongemakkelijke blikken van zijn vrouw waarna ze samen met de dochter weglopen.
Ik blijf verdwaasd achter. Inmiddels heeft de rij zich achter hen gevormd en tijd om erover na te denken heb ik niet. Er moet weer gewerkt worden en dus besteed ik er weinig aandacht aan. We moeten door.
De uren daarna zitten deze gedachten nog wel in mijn hoofd, maar begrijpen doe ik het niet.

Rond een uur of acht begon het concert. Ik ben klaar met werken en mijn vriend ook. We kunnen de hort op en van het concert genieten. Een paar vrienden zijn er ook en rond een uur of half 9 begint Doe Maar begint met spelen. Er is bier, er is gezelligheid en alles wat je nodig hebt op een vrije avond.

Na een tijdje aan de bar gehangen te hebben, besluiten we richting podium te gaan. En toen begon het. Ik kijk. Ik zie de band. Ik zie de drummer, de gitarist, een toetsenist. En hem. Daar. Die zanger. Die fucking zanger. Ik herken hem. Ik. zak. door. de. grond. Het is niet zo, het kan niet zo zijn. Het is niet waar. het is niet die man. Die man met die jonge vrouw en dat kind. Die man die ik net geweigerd hebt. Die ik net geen eten heb gegeven omdat hij geen bonnetje had. Van schrik weet ik niet meer wat ik doen moet.  Ik wil wegrennen. Of nog liever door de grond zakken.
Ik heb niet net de zanger van Doe Maar geweigerd. Dat kan niet. Shit. Zeg dat niet zo is.
Ik moet hier weg. Ik zie niets anders dan die kop van die zanger. Die zanger die 80% van Nederland kent. Die 80% van Nederland wel kent. Ik moet bier hebben. Heel veel bier. Ik sprint richting bar. Mompelend dat ik naar de WC moet. Zolang ik die kop maar niet meer zie.

Dus. Ik beken. Ik heb op het afscheidsconcert van Doe Maar de zanger van diezelfde band geweigerd. Ik heb gezegd dat hij niet mocht eten. Henny Vrienten mocht niet eten. Hij had een bonnetje nodig om te eten. Een bonnetje. Op zijn eigen afscheidsconcert.
Ik kan met zekerheid zeggen dat ik zijn gezicht nooit meer zal vergeten. Hij zit in mijn geheugen gegrift. Gebeitst. Gekrast als je het wil. Maar bekennen is bevrijdend. Hier heb je het. Doe ermee wat je wilt. Doe Maar!

 

Liefs,

Penny.

Uncategorized

Huize Buitenleven

De zon schijnt voorzichtig door de grote ramen naar binnen en de wind raast langs het dak. Misschien is het hier zo gek nog niet. Ik ben eigenlijk helemaal niet zo’n natuurmens en toch zit ik hier op de Veluwe in een oude hooischuur omgebouwd tot vakantiehuisje. Met hout dat knispert in de houtkachel en een geur die je doet denken aan een kampuurtje tijdens schoolkampen, waarbij enkel marshmallows nog ontbreken.

In de grote woonkeuken zorgt het kokende water ervoor dat de eitjes door de pan dansen en het koffiezetapparaat maakt een pruttelend geluid wanneer de koffie de koffiepot inloopt. Het is ochtend in huize Buitenleven en het ontbijt wacht op ons. De koeien in het weiland dat rondom ons huisje loopt, zijn ook wakker en beginnen aan hun eerste rondje door de wei. De zes koeien en twee kalfjes blijven in een groep, maar zijn enkel op hun eigen stukje gras gefocust. Ze worden gestoord door een vogel die soms even dichtbij komt, maar die schrikt van een zwierende koeienstaart.

Tergend langzaam verplaatsen de koeien zich over het veld. Met koppen die bewegen tijdens het eten, alsof ze zo het gras naar beneden stuwen. De kleintjes zijn liever lui dan moe en zoeken zo nu en dan hun moeder op. Vechtend met een broertje of zusje voor de beste plek bij mama’s uiers. De dauw glinstert op het gras en lijkt soms zelfs te fonkelen. Alsof er honderden pareltjes in het gras verstopt liggen.

De vogel bovenin de boom naast het huis zingt een liedje, waar een ander vogeltje op reageert. Zijn lied lijkt een soort noodkreet naar mama-vogel toe. Maar mama komt helaas nog niet opdagen. ‘t Vogeltje besluit dat het genoeg is en spreid zijn vleugels om vervolgens neer te strijken in een andere boom. Een stukje verderop hoor ik hem verder gaan, opnieuw zonder al te veel plezier.

Ah, de kookwekker roept en de eitjes zijn gaargekookt. Tijd voor het ontbijt!

Uncategorized

Het weekend van Utrecht – Tour de France 2015

Het is zaterdag 4 juli. Als je in Utrecht woont dan is dat nogal wat. Dag 1 van de Tour de France, die dit jaar start in Utrecht. Ikzelf heb nog nooit langer dan 5 minuten naar de Tour gekeken. Ik ken geen namen, heb geen idee wat de spelregels zijn (gele trui, heh?) en ik zal ook echt geen grote wielerfan worden na deze tour. Maar deze keer waren wij als stad wel even het middelpunt van de sportwereld. Ik zeg wij omdat het voelde alsof Oranje de finale speelde van het WK dat weekend. Dat is het kaliber van de saamhorigheid van die dagen. Wij die samen als eenheid een sportevent mogen meemaken. Zij die samen spanning voelen voordat de renners er zijn en die met de medetoeschouwers, die je niet kent, genieten van deze heisa.

Je kwam de stad niet meer in met de auto, enkel als je het lef had om even wat hekken te verplaatsen. En nee, dat is geen tip. Daarnaast had menig weerman al meer dan eens aangegeven, water drinken, zonnebrand, petje op, niet in volle zon en nog meer van dat soort tips. Maar goed met al het goede advies in de hand was het zaterdagmiddag tijd voor de tijdrit.

Waar er normaal gesproken geroepen wordt dat toeschouwers van de Tour de France erg veel moeite doen voor 20 seconden vertier tijdens een normale etappe, is de tijdrit een ander verhaal. Normaal gesproken is de Tour nogal snel (lees: veel te snel) voorbijgegaan en kun je eigenlijk direct weer op huis aan. Tijdens de tijdrit heb je het geluk dat er een minuut later weer een volgende renner langskomst. Vanaf het Jaarbeursplein start er minuut na minuur een renner die een 15 kilometer door de stad aflegt. Rijen dik staan klaar langs het gehele parcours, opa’s, oma’s, papa’s, mama’s, kids, studenten en noem maar op. Even luisterend naar het gejuich om ons heen maakt duidelijk wie favoriet is. Tom Dumoulin, maar ook Gesink en Mollema vallen daaronder.

Bepakt met water zijn we richting Waterlinieweg gegaan waar het ronduit gezellig te noemen is, waar we praatjes maken met andere toeschouwers, maar vooral juichen we voor de bijna 200 renners die langs racen. Mijn familie juicht voor Tom Dumoulin. Ik juich omdat het intens gezellig is. Na de rit van Tom zijn wij als bezetene naar het grote scherm gerend dat in het Oorsprongpark stond. Om hier de finish te kunnen zien en Toms tijd. Geen eerste plek voor Tom. Maar wel een perfecte zaterdag gehuld in gezellige spanning en vol met energie.

Dag 2 was de dag waar ik het allermeest naar uitkeek. Utrecht is en blijft toch een topstad. Een oud stadscentrum vol met kroegen en grachten, met de mooiste toren van het land en om maar met het oernederlandse woord te spreken, gewoonweg de gezelligste stad. En in het weekend van op 5 juli is mijn stad wereldnieuws. Onder de dom door, langs het stadhuis, over de Biltstraat, Maliesingel, Waterlinieweg en uiteindelijk met wat meer snelheid de stad uit via de Kardinaal de Jongweg. En wij waren erbij.

We staan weer vooraan en hebben een perfect plekje samen met buurtgenoten. Blijkbaar is de karavaan voor menig wielerfan een bekend fenomeen, maar niet voor mij. Het doet denken aan carnaval in het zuiden, waar vanaf praalwagens snoepjes gegooid worden naar de kinderen. Tijdens de tour hebben bedrijven de mogelijkheid om een gat te slaan in hun marketingbudget. Grote merken, noem Senseo en vele onbekende merken uit Frankrijk, rijden met grote auto’s en wagens langs om ons te voorzien van een heleboel rotzooi. Je weet wel, sleutelhangers, koffie en petjes. Ook al is het rotzooi, het laat wel zien dat de Nederlander graag crap mee naar huis neemt. Maar gelukkig was de karavaan slechts een inleiding, iets waar je even doorheen moet voor de echte show start.

Zodra je hoort dat honderd meter verderop het juichen begint, weet je dat de renners dichtbij zijn. De camera’s worden tevoorschijn gehaald, we staan klaar achter de hekken en het staat te gebeuren. De auto’s komen langs, een paar motoren en  daar zie je de eerste renners, gefocust en met een rotvaart komen ze voorbij. We juichen, maken foto’s en denken even nergens anders aan. Enkel kijkend naar sportmannen die door onze stad sjezen. Het duurt maar heel eventjes, maar toch wil je dit voor geen goud missen en ik zal nog heel lang onthouden hoe de Tour door mijn stad reed.

Liefs.

TourDeFrance-Utrecht2015

Uncategorized

That little island

Al als klein meisje had ik een grote droom; rondlopen door New York. Ik wilde niets liever, enkel en alleen zijn in New York. Nu 24 jaar later heb ik dezelfde droom als toen. Ik moest en zou ervaren hoe New York is, hoe het ruikt, hoe je je voelt en wat die stad de mooiste stad van de wereld maakt.

Als je een flinke duit in het zakje doet bij het reisbureau is gelukkig alles mogelijk. Eind augustus mochten wij dan eindelijk richting New York. Vol met zenuwen, maar de excitement overschaduwde. Dat waar ik over droomde, was eindelijk in zicht. De vliegreis duurde dan ook intens lang. Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit zo heb uitgekeken naar de landing. Alsof je al dagen niet gedronken hebt en die landing is een groot glas water. En na 7 uur was het moment daar, enkel nog de customs waar je doorheen moet. Maar dan is daar het moment dat je met koffer en al naar buiten loopt richting die zwerm gele taxi’s.

Ik en vriendlief, die er overigens voor zorgde dat ik deze droom kon laten uitkomen, hadden het al gehad over deze eerste taxirit. Er wordt namelijk altijd geroepen dat New York een zo veel verschillende nationaliteiten heeft aan taxichauffeurs en wij waren vol van verwachting welke nationaliteit wij zouden treffen. Een Indiase man mét tulband die als cherry on the cake ook nog eens begon te zingen, dat was onze eerste NYC cab driver. Als in een Bollywood film. Mijn geluk kon niet meer op; het was geniaal. Na een klein half uur op de autoweg weet je dat die tunnel eraan komt. Die tunnel die eindigt in mijn droom. En ik zal je zeggen, de eerste keer dat ik het Empire State Building zag, was niet te beschrijven. Ik zat giddy als een kind op de achterbank, zonder zorgen en vol met energie. Ik was er, daar waar ik al zo lang wilde zijn. Niets kon dit nog van mij afnemen.

Het geluid dat gelijk op je afkomt, denk aan sirenes, mensen en heel veel verkeer, laat weten dat je er bent. De stad met 15 miljoen inwoners op dat hele klein stukje aarde. De hoogte van gebouwen is echt iets waar je aan moet wennen. Je bent zo klein, maar ondertussen voel je je wel als king of the world. Bijkomen is dan ook een van de eerste dingen die ik moest doen na aankomst. Die indrukken die NY je geeft, zullen niet snel overtroffen worden. Het voelt als een traktatie dat je er mag zijn, maar toch is het intens slopend. Voeg daar een goeie jetlag aan toe en je begrijpt het gevoel. Na een klein rondje door de buurt, een biertje en hamburger in een (typisch Amerikaanse!) diner viel ik dan ook om. En dat om 9 uur ‘s avonds.

De volgende dagen waren gevuld met zo veel moois dat het amper op te noemen is. Zeg het bezoeken van Central Park, the Friends building, wandelen door SoHo en Greenwich Village, meatpacking district (oh wow, ‘s avonds is dat het allermooist), the High Line en nog zo veel meer. Maar het aller-allermooiste is er zijn. Je hoeft geen dure drankjes of hip eten te proeven, je hoeft niet op een wolkenkrabber te staan en al helemaal niet iedere trendy hipster winkel leeg te kopen. Het enige wat je daar moet, is zijn en leven in het moment. On-be-schrij-fe-lijk. Werkelijk waar.

Er komt echt rook uit de roosters op straat, de stad is overvol, fastfood is overal vinden en gele taxi’s vliegen je om de oren. En ja, die Amerikanen zijn soms een beetje gek. Precies wat je verwacht, zou je zeggen. Toch is een tripje New York nooit wat je ervan gedacht had – verwacht dat dus ook niet. Het is meer dan dat. Want: ook al ben je gesloopt na een dag wandelen, heb je een onoverkomelijke jetlag en kunnen de kleinste dingetjes je irritatieniveau naar grote hoogtes brengen, je bent wel in New York, daar waar het gebeurt. De plek die is zoals geen enkele andere plek op aarde.

Je bent als een muisje in Madurodam, zo hoog, groot en overweldigend als deze concrete jungle is. Ik heb gezien hoe een New Yorkers wonen, geroken hoe die stad ruikt en gevoeld hoe het is in die prachtige stad met zijn 15 miljoen inwoners. En ooit ga ik terug, naar die grote droom die Manhattan heet.

Liefs.