Uncategorized

Deel 1. Een leeg nest.

Shit. Vanuit mijn slaapkamer hoor ik mijn telefoon afgaan terwijl ik met een handdoek op mijn hoofd nog nadruip van een lange, warme douche. Dat zal pa wel zijn. Een lieverd hoor, maar hij heeft de gave om altijd op het verkeerde moment te bellen. Met lichte tegenzin loop ik mijn slaapkamer in en pak mijn telefoon om hem terug te bellen.

Terwijl ik zijn naam zoek in mijn contacten, hoop ik vurig dat hij niet belt waarom ik denk dat hij belt. Ik weet dat hij zich afvraagt wat ik van plan ben volgend jaar. Maar ik weet ook dat hij bang is dat ik vertrek. Bang dat ik mijn heil ergens anders zal zoeken.

‘Kindje, liefje, wanneer ga je me vertellen wat je plannen zijn voor volgend jaar. De buurt heeft ogen en oren hè, dat weet je toch?’, roept hij door de telefoon. ‘Als vader wil ik je dolgraag zien doen waar je gelukkig van wordt, maar mag ik verwachten dat je me even op de hoogste stelt?’
Intussen hoor ik hoe hij zijn pijp aansteekt en zie hem in gedachte zitten. Genesteld in zijn fauteuil voor het raam, in een klein kamertje vol met planten, meubels en prullaria. De rook vult de kamer, wat direct laat zien hoe vol en stoffig de ruimte is. De herinneringen van dat huis houden hem daar vast. Vast in die kleine arbeiderswoning in Ondiep.
‘Oké pa, kop koffie doen dan maar?’ Ik hang op en smijt mijn telefoon op bed.

Mijn vader en ik zijn altijd al twee handen op een buik geweest. Van kleins af aan. Vanaf het moment dat mama wegging werd dat enkel sterker. We hebben het dan ook nooit slecht gehad. We kunnen urenlang kletsen en discussiëren, maar ook een boek lezen in stilte op het balkon. Marc is een hele fijne vader. Maar wel eentje met een gebruiksaanwijzing.

Net wanneer ik op een stoel op het terras plof, hoor ik hem in de verte aankomen. Zingend en op een fiets zo krakkemikkig dat niemand ‘m zou stelen. Intussen lijkt een voorbijganger hem te kennen en klopt hem gemoedelijk op zijn schouder. Wie mijn pa net leert kennen, zal op zijn zachts gezegd overweldigd zijn van zijn voorkomen. Na een korte conversatie waar ik vooral mijn vader druk met handgebaren aan het woord zie, lopen ze allebei door.
Hij heeft zijn lange haar in een staart. Met zijn geklede schoenen van slangenleer en baggy jeans die omhoog gehouden wordt door felrode bretels, zou je denken dat hij zo uit een musical weggeslopen is. Gekscherend klopt hij hard op het grote raam bij de bakker op de hoek om vervolgens met een grote grijns te zwaaien naar de medewerkers die binnen staan. Dat is pa ten voeten uit. Luidruchtig, maar grappig en een ontzettende lieverd maar ook eentje om hondsdol van te worden. Zou ‘ie zich rot schrikken, boos worden of juist heel rustig blijven als ik hem mijn plannen vertel? Maakt hij zich ongerust of zou hij het ergens wel begrijpen? Ik krijg een knoop in mijn maag als ik eraan denk.

‘Mevrouw, of u alvast iets wilt bestellen’ hoor ik ineens en de serveerster kijkt me vragend aan.
‘Ah, nee, hoor, ik wacht nog even op iemand. Dankje’.
Ik zie haar lichtelijk geïrriteerd haar schrijfblokje terugstoppen in het voorvakje van haar schort.
Wanneer mijn vader eenmaal voor me staat, pakt hij me stevig vast. ‘Je ziet er weer prachtig uit, net als je oude vader.’
Al neuriënd ploft hij in een stoel naast me neer.
Zijn verschijning kan me altijd weer verrassen. Zijn overdreven en over-the-top gedrag. Als 16-jarig meisje, onzeker en net in de puberteit kun je trouwens wel door de grond zakken als je vader je vrienden aan het lachen krijgt door zich als een idioot te gedragen. En wanneer je vader schijnbaar gevraagd is als deejay op je eerste schoolfeest in de brugklas, sta je ook niet te springen. Maar al met al is hij er eentje die je bij je wilt hebben. Zonder mijn pa geen feestje, of je je nu schaamt of niet.

‘Ik ben wat laat, maar moest nog even langs de apotheek. Zat je al lang? Sorry schat.’
‘Oh, nee hoor geen probleem. Eventjes pas’, antwoord ik zachtjes.
”Nou, wat drinken we? Misschien een lekker wijntje, daar heb ik wel trek in’ en ik zie hem zoeken naar de serveerster. 

‘Nou, vertel maar eens waar je na de zomer heen wilt’ en hij kijkt me vragen aan.
‘Misschien ga ik wel met je mee’, roept hij lachend en pakt de menukaart. Terwijl ik op zoek ga naar de serveerster heeft de knoop in mijn maag zich inmiddels tot een grote brok met angst gevormd.
‘Ik neem de Chardonnay hoor, jij ook?’ Ik besluit mee te doen en wenk de serveerster.

‘Hoe was je dag’, vraag ik hem om het moment maar uit te stellen. Zo’n vraag geeft me meestal nog wel een minuut of 5.
‘Druk, schat, druk. Ik heb een overvolle agenda; de buren zijn op vakantie en ik zorg voor de kat en bovendien is je tante ziek. Die breng ik vanavond een kopje soep. En ik wil nog even langs de soos zometeen.’
‘Je bent weer veel te druk pa’, reageer ik.
Intussen praat hij vrolijk verder, over zijn werk, de soos en de tango lessen die hij volgt. Zijn vrolijkheid doet me pijn. Wanneer de drankjes geserveerd worden, weet ik dat ik nu echt moet gaat praten.
‘Papa?’, begin ik. ‘Wat ik je…’
‘Ik ga morgen naar een tentoonstelling in het Utrechts Archief, echt iets voor jou’, onderbreekt hij me. ‘Ik kan je ophalen om half 12′, zegt hij terwijl hij een slok van zijn wijn neemt.
‘Pa, ik wil je iets zeggen’, begin ik en ik hoor hoe mijn stem begint te trillen. ‘Beloof je dat je me laat uitpraten? Ik heb er echt goed over nagedacht en weet dat je hier niet blij mee zult zijn’.
‘Nou, wat een serieuze toon ineens, maargoed vertel dan maar.’ Hij kijkt me aan met zijn vaderlijke blik.
Ik blijf even stil en voel tranen opkomen. ‘Pa, ik ga weg’ weet ik eruit te persen.

‘Ik heb mama gesproken. Ze belde ineens, een paar maande terug al. We hebben lang gepraat en we praten vaker.’
Ik kijk hem aan, zijn ogen groot en verschrikt. Zijn hand zoekt zijn pijp die op tafel ligt. Ik zie een lichte trilling in zijn hand als hij zijn pijp aansteekt. Hij inhaleert diept en ademt weer uit. Het is stil. Ik kijk naar zijn ademhaling die snel is, gejaagd bijna. De stilte begint met de seconde pijnlijker te worden.
Mijn vader is er altijd voor me geweest. Niet dat ik hem vaak nodig had. Ik werk me amper in de nesten, haal geen nachtelijke escapades uit en mijn leven verloopt redelijk op rolletjes. Maar nu spring ik uit de band. Ik voel een onrust in mijn buik, een niet te negeren opwinding die niet meer kan wachten.

Uncategorized

Doe maar niet…

Heel lang heb ik dit verhaal aan niemand verteld, maar inmiddels kan ik erom lachen. Met het schaamrood op de kaken. Dat wel. Maar oh, wat heb ik mij geschaamd. Zo ontzettend geschaamd. Ik zal nooit vergeten hoe ik daar stond middenin een grote mensenmassa, met een kop als een boei. Als je door de grond kan zakken, zou ik er op dat moment al mijn geld voor gegeven hebben.

Jaren terug werkte vriendlief bij een evenementenbureau dat grote festivals organiseerde. Dit konden festivals zoals Free Festival en Parkpop zijn, maar ook weleens een groot concert in stadions zoals de Kuip in Rotterdam. In dit geval het decor van mijn verhaal. Mijn schandalig pijnlijke verhaal uit 2008, het jaar dat Doe Maar (weer) een afscheidsconcert gaf en ik, naïef als ik kon zijn, een van mijn meest schaamtevolle momenten beleefde.

De dag in de Kuip in Rotterdam begint zoals andere dagen bij de crew-catering. Bijvullen, schoonmaken en wat helpen in de keuken. Tijdens een dag als deze wacht je op de drukke momenten waarop de crew komt eten. Mijn taak is dan het controleren van de bonnetjes. Om te eten hebben medewerkers een bonnetje nodig, waarmee ze vervolgens hun buikje rond kunnen eten. Dus, vlijtig als ik ben, vraag ik iedereen netjes om een bonnetje voordat ze hun bord volschepen met al wat ze wensen. Net na etenstijd staat er ineens een familie voor mijn neus. Een man, ik zou het rond de 55 schatten, met kort zwart haar en een wat jongere vrouw. Er was nog een meisje bij, als ik het me goed herinner. Zoals ik al 100 keer gedaan had die avond, vraag ik om een bonnetje.

Een verbaasde blik. ‘Waarom een bonnetje’, vraagt de man.
‘Nou, dat is zoals we dat doen’, leg ik uit. Deze vraag kreeg ik nooit.
‘We houden bij wie er komt eten, door middel van die bonnetjes dus’.
Een ongemakkelijke stilte volgt. De man, de vrouw en het kind kijken elkaar aan. Om vervolgens mij weer aan te kijken.
Dit is moeilijk, want wat doe je? Doe je wat je gezegd is en vraag je altijd omdat stomme bonnetje? Of laat je deze gaan?
Ik beslis voor het eerste te gaan.
‘Ik moet echt een bonnetje hebben, voordat jullie opscheppen’, geef ik aan.
‘Ik denk niet dat dat nodig hoor meissie’, zegt de man met een ferme stem.
‘Sorry’, bazel ik.
‘Nogmaals, ik denk dat we die niet nodig hebben. Kan ik opscheppen?’, zegt hij nu wat harder.
Ik twijfel. Wat bedoelt hij eigenlijk? Niet nodig? Is het arrogantie?
‘Mag ik opscheppen?’.
Nou… zeg ik twijfelend. ‘Nee, ik moet echt een bonnetje hebben, net als alle andere medewerkers’, is mijn antwoord.
Hij wordt rood. Boos. Dat zie ik gelijk. Zij gezicht verandert.
Van uiterst vriendelijk naar verbaasd en afkeurend. Hij lacht nog even twijfelend naar zijn vrouw en stapt vervolgens geïrriteerd richting de uitgang.
Een paar ongemakkelijke blikken van zijn vrouw waarna ze samen met de dochter weglopen.
Ik blijf verdwaasd achter. Inmiddels heeft de rij zich achter hen gevormd en tijd om erover na te denken heb ik niet. Er moet weer gewerkt worden en dus besteed ik er weinig aandacht aan. We moeten door.
De uren daarna zitten deze gedachten nog wel in mijn hoofd, maar begrijpen doe ik het niet.

Rond een uur of acht begon het concert. Ik ben klaar met werken en mijn vriend ook. We kunnen de hort op en van het concert genieten. Een paar vrienden zijn er ook en rond een uur of half 9 begint Doe Maar met spelen. Er is bier, er is gezelligheid en alles wat je nodig hebt op een vrije avond.

Na een tijdje aan de bar gehangen te hebben, besluiten we richting podium te gaan. En toen begon het. Ik kijk. Ik zie de band. Ik zie de drummer, de gitarist, een toetsenist. En hem. Daar. Die zanger. Die fucking zanger. Ik herken hem. Ik. zak. door. de. grond. Het is niet zo, het kan niet zo zijn. Het is niet waar. het is niet die man. Die man met die jonge vrouw en dat kind. Die man die ik net geweigerd hebt. Die ik net geen eten heb gegeven omdat hij geen bonnetje had. Van schrik weet ik niet meer wat ik doen moet.  Ik wil wegrennen. Of nog liever door de grond zakken.
Ik heb niet net de zanger van Doe Maar geweigerd. Dat kan niet. Shit. Zeg dat niet zo is.
Ik moet hier weg. Ik zie niets anders dan die kop van die zanger. Die zanger die 80% van Nederland kent. Die 80% van Nederland wel kent. Ik moet bier hebben. Heel veel bier. Ik sprint richting bar. Mompelend dat ik naar de WC moet. Zolang ik die kop maar niet meer zie.

Dus. Ik beken. Ik heb op het afscheidsconcert van Doe Maar de zanger van diezelfde band geweigerd. Ik heb gezegd dat hij niet mocht eten. De zanger mocht niet eten. Hij had een bonnetje nodig om te eten. Een bonnetje. Op zijn eigen afscheidsconcert.
Ik kan met zekerheid zeggen dat ik zijn gezicht nooit meer zal vergeten. Hij zit in mijn geheugen gegrift. Gebeitst. Gekrast als je het wil. Maar bekennen is bevrijdend. Hier heb je het. Doe ermee wat je wilt. Doe Maar!

 

Uncategorized

Huize Buitenleven

De zon schijnt voorzichtig door de grote ramen naar binnen en de wind raast langs het dak. Misschien is het hier zo gek nog niet. Ik ben eigenlijk helemaal niet zo’n natuurmens en toch zit ik hier op de Veluwe in een oude hooischuur omgebouwd tot vakantiehuisje. Met hout dat knispert in de houtkachel en een geur die doet denken aan een kampvuur tijdens schoolkamp, waarbij enkel marshmallows nog ontbreken.

In de grote woonkeuken zorgt het kokende water ervoor dat de eitjes door de pan dansen en het koffiezetapparaat maakt een pruttelend geluid wanneer de koffie de koffiepot inloopt. Het is ochtend in huize Buitenleven en het ontbijt wacht op ons. De koeien in het weiland naast ons huis, zijn ook wakker en beginnen aan hun eerste rondje door de wei. De zes koeien en twee kalfjes blijven in een groep, maar zijn ieder in hun eigen wereld. Een vogel komt dichtbij komt, maar schrikt van een zwierende koeienstaart.

Tergend langzaam verplaatsen de koeien zich over het veld. Met koppen die bewegen tijdens het eten, alsof ze zo het gras naar beneden stuwen. De kleintjes zijn liever lui dan moe en zoeken zo nu en dan hun moeder op. Vechtend met een broertje of zusje voor de beste plek bij mama’s uiers. De dauw glinstert op het gras en lijkt soms zelfs te fonkelen. Alsof er honderden pareltjes in het gras verstopt liggen.

De vogel bovenin de boom naast het huis zingt een liedje, waar een ander vogeltje op reageert. Zijn lied lijkt een noodkreet naar mama toe. Maar mama komt helaas niet opdagen. ‘t Vogeltje besluit dat het genoeg is en spreid zijn vleugels om vervolgens neer te strijken in een andere boom. Een stukje verderop hoor ik hem verder gaan, zonder al te veel plezier.

Ah, de kookwekker roept en de eitjes zijn gaargekookt. Tijd voor het ontbijt!